vrijdag 2 mei 2014

Met je burgerinitiatief onder je arm

In hun recente boek Decentraal, de stad als sociaal laboratorium stellen Nico de Boer en Jos van der Lans dat ‘in Nederland is iets eenvoudigs organiseren zo ongeveer het moeilijkste wat er is’. Ze duiden daarmee op belemmeringen in regelgeving, ambtelijke bureaucratie of politieke onmacht die wijk- en buurtinitiatieven tegenkomen. Belemmeringen die ook worden ervaren door Corgo sos in Den Haag. Deze organisatie loopt – ondanks welwillendheid van alle betrokkenen – tegen een situatie aan waarbij ontwikkeling en uitvoering van beleid elkaar kruisen.

Corgo sos (sociaal, ondernemend, solidair) is een burgerinitiatief opgericht vanuit de idee om alleenstaande, allochtone, vrouwen en moeders die rond de armoedegrens leven, op eigen initiatief weer meer plezier in het leven willen hebben. Corgo sos ondersteunt hen van harte om weer ondernemend te worden. De tweedehands winkel van Corgo is bedoeld als een laagdrempelige ontmoetingsplek. Doelstelling is om met de inzet van vrouwen/moeders de opbrengst van de winkel, na aftrek van alle kosten, te gebruiken voor ondersteunende activiteiten voor deze vrouwen/moeders.
De winkel staat dus centraal in het concept van Corgo sos. En dat betekent dat de beschikking over een winkelpand essentieel is. Niet alleen voor het functioneren van het concept, maar ook voor het aantrekken van fondsen. Zo heeft de organisatie een toezegging van de regionale goede doelen stichting Fonds1818, maar die kan niet verzilverd worden zolang er niet over een permanente locatie beschikt kan worden. En daar wringt nou precies de schoen.

Corgo sos startte in een pand dat van de gemeente Den Haag gehuurd werd. Diezelfde gemeente die laaiend enthousiast is over het initiatief omdat het bijdraagt aan een groot aantal doelstellingen op sociaal gebied. De locatie moest echter verlaten worden, omdat vanuit beleidsontwikkeling onroerend goed een hogere huur gevraagd werd. Er zat dus niets anders op dan verhuizen naar een ander pand. Corgo sos zit nu antikraak met een opzegtermijn van twee weken. En dat betekent dus dat de initiatiefnemers en de vrijwilligers elk moment te horen kunnen krijgen dat ze hun burgerinitiatief weer onder hun arm mogen meenemen. Iets eenvoudigs organiseren is inderdaad zo ongeveer het moeilijkste wat er is. Daar moet verandering in komen. Dit soort initiatieven verdient het – een mooie taak voor de nieuwe gemeenteraden en – besturen.

woensdag 26 maart 2014

Afscheid van de gemeenteraad

Mijn binnenkomst in de gemeenteraad in april 2009 was onverwacht, maar weloverwogen. Ik ging ervoor. Geen stoel warmhouden maar een bijdrage leveren.
Mijn vertrek uit de raad in maart 2014 is ook onverwacht. En niet weloverwogen. Het overkomt me. En ik vind het ontzettend jammer. Ik zou graag de komende vier jaar ook nog een bijdrage leveren. Het sociale domein gaat me aan m'n hart en we staan voor belangrijke keuzes.
Maar goed, als je niet kan incasseren moet je niet in de politiek gaan.
En deze incasseer ik.
Voor nu rest mij een terugblik op een mooie, leerzame tijd die gemaakt werd door de samenwerking met bijzondere mensen. In mijn fractie en daarbuiten.
Het gaat jullie allen goed.

donderdag 13 maart 2014

Inzicht in financiën sociaal domein en zorg is wel degelijk mogeijk

Vanaf januari 2015 wordt de gemeente Haarlem verantwoordelijk voor een groot deel van de zorgtaken die nu door het Rijk worden georganiseerd. De gemeente krijgt daar weliswaar geld voor, maar het Rijk bezuinigt ook. Voor de VVD is dat geen reden om op de handen te gaan zitten.

Namens de VVD diende ik daarom in de raadsvergadering van 13 maart een motie in die het college opdraagt om zo snel mogelijk met een doorrekening te komen op basis van de cijfers die we nu al hebben.

Ik realiseer me dat het weliswaar tot ver in 2014 duurt voordat er definitieve cijfers beschikbaar zijn, maar stel ook vast dat het prima mogelijk is om op basis van historische gegevens en voorlopige cijfers van het Rijk een begroting op te stellen. Die zal weliswaar vaak moeten worden bijgesteld, maar het gaat erom dat we als gemeenteraad ook op de centen kunnen. Alleen op die manier kunnen we ervoor zorgen dat burgers die zorg nodig hebben ook zorg krijgen.

Volgens mij is het mogelijk om de huidige kosten in kaart te brengen, in te schatten wat er straks binnenkomt en financieel door te rekenen wat de effecten zijn van het nieuwe beleid van de gemeente Haarlem. Op basis daarvan weet je of je genoeg gedaan hebt of nog meer moet doen. Het college doet nu net alsof het een soort doos van Pandora is en dat leidt alleen maar tot onzekerheid.

donderdag 20 februari 2014

'Eindelijk is de jeugdzorg in de vertrouwde handen van de gemeente Haarlem'

Gisteren vond in De Pletterij een debat over de Jeugdzorg plaats. Namens de VVD reageerde ik op de stelling 'Eindelijk is de jeugdzorg in de vertrouwde handen van de gemeente Haarlem' :

Het vertrouwen in de gemeente begint met het door de gemeente vertrouwen in het vakmanschap van medewerkers in de jeugdzorg. Deze transitie biedt de kans om de jeugdzorg een andere koers te geven: minder nadruk op regels en veiligheid op papier, en meer op een menselijk ingerichte jeugdzorg: ‘instrumenten managen geen risico’s, mensen managen risico’s’. Wat dus belangrijk is, is vertrouwen in het vakmanschap van medewerkers in de jeugdzorg. Dat wil niet zeggen dat we geen zorgen hebben. De drie belangrijkste: 
  1. De privacy: de gemeente mag niet in uw gegevens graaien
  2. Wie zorg nodig heeft moet zorg krijgen: maatwerk mag geen willekeur worden
  3. Vermijd de risico/regelreflex: aanvaard dat niet alle risico's uit te sluiten zijn, wees bereid te leren en te verbeteren.  
Zie ook mijn vorige blog over de veranderingen in de zorg waarin ik negen dilemma's schets.

donderdag 23 januari 2014

Veranderingen in de zorg: een zware taak voor de nieuwe gemeenteraad

Dat er de komende tijd veel gaat veranderen in de zorg (jeugdzorg, AWBZ, Wmo) is een understatement van jewelste. Toch begin ik deze blog ermee: er gaat veel veranderen in de zorg. Veel zaken die nu door het Rijk worden georganiseerd komen naar de gemeentes toe. Dat leidt dus logischerwijs tot veel discussie over hoe we daar mee om moeten gaan.

Ik vind het belangrijk dat we in al die discussies de uitgangspunten van de zogenaamde 'transities' niet mogen vergeten. Het zijn er drie. Ze zijn gericht op verandering van de manier waarop de overheid burgers die behoefte hebben aan ondersteuning benadert. 

  1. Van vangnet naar springplank: begin met wat de burger wél kan. En biedt ondersteuning om dat wat niet gaat op de rit te krijgen.
  2. Dicht bij huis: organisatie zoveel mogelijk op lokaal niveau. De gemeente kent de structuur, voorzieningen en cultuur in de stad immers het beste.
  3. Voorkomen in plaats van genezen: investeer in preventie en voorkom een beroep op dure zorg.
En wat er de komende maanden ook gaat gebeuren in de uitwerking van deze uitgangspunten, de trein – die overigens al jaren geleden vertrokken is – rijdt. En de volgende halte is naar alle waarschijnlijkheid 1 januari 2015. De contouren van het station zijn al zichtbaar. En natuurlijk pak je dan vast je spullen bij elkaar en zorg je dat je voorbereid bent voor die stop. En daar heeft de gemeenteraad in Haarlem vandaag een belangrijk besluit over genomen. We hebben afgesproken hoe we ons straks gaan organiseren als de trein stopt. En nee, we weten nog niet precies op welk perron en hoe laat. Maar hij stopt wel. En tot die tijd hebben we nog een aantal dingen waar we over na moeten denken. Ik noem het mijn van negen dilemma’s.

Dilemma 1: Niet blindstaren op bezuinigingen. De gemeente wordt risicodragend voor de uitvoering van taken en krijgt daarmee een prikkel om doelmatigheid en kwaliteit af te wegen tegen de kosten. Dat betekent dat we ook kunnen beknibbelen op zorg en dat degene die zorg en ondersteuning nodig hebben die niet voldoende krijgen. Wie zorgt nodig heeft, moet zorg krijgen.

Dilemma 2: Privacy en het gebruik van informatie. Een goede informatievoorziening is essentieel voor het (vroeg)signaleren van risico’s in de dienstverlening. Bovendien kunnen burgers die goed zijn geïnformeerd hun eigen mogelijkheden om zorg te organiseren beter vormgeven. Sociale wijkteams kunnen met één systeem efficiënter werken. Het is echter niet uitgesloten dat bepaalde informatie in de praktijk wel beschikbaar is maar niet gebruikt mag worden. Er is een grens aan hoe ver de gemeente kan gaan in het verzamelen en gebruiken van informatie over iemands sociale omgeving.

Dilemma 3: Niet alleen focussen op transitie. Het gaat om transformatie. De transitie leidt de transformatie in. Die is gericht op het realiseren van de beoogde inhoudelijk effecten: ander gedrag van professionals en burgers, andere cultuur, andere werkwijzen en vooral het anders met elkaar omgaan tussen burgers, professionals, instellingen en gemeenten. Het is van belang dat dit doel niet uit het oog wordt verloren en alleen te focussen op transitie. Dat is niets meer dan het veranderen van de technische organisatie.

Dilemma 4: De financiele risico's en het overgangsrecht. De overgangsrechten beperken de beleidsvrijheid. Gemeenten worden immers verplicht om bepaalde voorzieningen te (blijven) bieden terwijl het budget wordt gekort. Hoe wordt hierop geanticipeerd?

Dilemma 5: Hoe gaan we sturen op kwaliteit?  Het sturen op kwaliteit gaat verder dan het meten van de kwaliteit. Technische kwaliteitsmetingen kunnen een objectief inzicht bieden. Sturing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door boeteclausules op te nemen in de contracten met zorgleveranciers. Deze technische benadering staat echter los van de beleving van de kwaliteit. Daarvoor bestond in de Wmo het klanttevredenheidsonderzoek. In de nieuwe Wmo wordt die vervangen door een klantbelevingsonderzoek.

Dilemma 6: Inzet van collectieve voorzieningen in plaats van individuele. De Wmo maakt onderscheid tussen individuele en collectieve voorzieningen. Die laatste waren bedoeld voor de hele gemeenschap. De individuele waren bedoeld om mensen in staat te stellen deel te blijven nemen aan de samenleving. In de nieuwe Wmo wordt de inzet van collectieve voorzieningen breder. Die kunnen ook worden beschouwd als voorzieningen die mensen in staat stellen deel te blijven nemen aan de samenleving en leveren zo een weigeringgrond op voor een maatwerkvoorziening. Werkt dat?

Dilemma 7: Juridisering. De invoering van de Wmo leert dat de reikwijdte van de compensatieplicht pas duidelijk werd na juridische procedures. De kans is groot dat dat voor de maatwerkvoorziening net zo zal zijn. Immers, wanneer iemand van mening is dat het college hem onterecht geen maatwerkvoorziening verstrekt of de maatwerkvoorziening niet genoeg bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie (of opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden), dan beschikt betrokkene over de mogelijkheden van bezwaar en beroep. De rechter zal dan toetsen of de gemeente zich gehouden heeft aan de juiste procedures, het onderzoek adequaat is geweest en de voorgestelde ondersteuning passend gegeven de uitkomsten van het onderzoek. Het wetsvoorstel beoogt overigens in opzet procedures van gemeenten en burgers zo veel mogelijk te voorkomen. Uitgangspunt is een proces waarin gemeente en de persoon met een ondersteuningsbehoefte in samenspraak diens situatie in kaart brengen en van daaruit te bezien op welke wijze de zelfredzaamheid en participatie van betrokkene kan worden versterkt. Is dit voldoende geborgd?

Dilemma 8: Hoe de risico/regelreflex te vermijden. Ernstige incidenten in de jeugdzorg komen niet veel voor, maar hebben een grote maatschappelijke impact. Aan de andere kant biedt deze transitie de kans om de jeugdzorg een andere koers te geven: minder nadruk op regels en veiligheid op papier, en meer op een menselijk ingerichte jeugdzorg: ‘instrumenten managen geen risico’s, mensen managen risico’s’. Wat dus belangrijk is, is vertrouwen in het vakmanschap van medewerkers in de jeugdzorg én vroegtijdige en intensieve betrokkenheid van de gemeenteraad. Het is belangrijk om hier tijdig over te spreken.

Dilemma 9: Duidelijkheid over toegang tot specialistische hulp. Uitgangspunt is dat de specialistische ondersteuning betaalbaar is en de kwaliteit en continuïteit geborgd zijn. Dat betekent dat er een structuur moet zijn ingericht waarin iedereen weet waar hij aan toe is: wie mag welk besluit nemen (de professionals) en waar kan je heen als je het niet eens bent met het besluit (de burger).

De nieuwe gemeenteraad heeft een zware taak!